Nostalgisch versus Toekomstgericht
Het is eindelijk zover: de politieke termen links en rechts zijn failliet. Op. Kaput. En dat zat er al een tijdje aan te komen. In een mislukte poging om ze nog in leven te houden was er een paar jaar geleden nog een periode waarin we politieke partijen en standpunten niet alleen indeelden van links naar rechts, maar ook in progressief of conservatief. Het idee daarachter? Niet elke linkse partij is progressief, en niet elke rechtse partij is conservatief.
Denk aan een partij die zich links noemt, maar op sociaal-culturele thema's juist behoudend is, of terugverlangt naar hoe het vroeger georganiseerd was. Of een partij die economisch rechts is, maar op cultuur en ethiek juist progressieve standpunten heeft. Zulke combinaties zijn er in bijna elk politiek landschap, en ze laten zien dat één lijntje van links naar rechts allang niet meer volstaat om de werkelijkheid te beschrijven.
Op een of andere manier is de verdeling in een kwadrant links-rechts-progressief-conservatief weer op de achtergrond geraakt. Zou het kunnen dat de algoritmes van social media beter werken op tweedeling dan op vierdeling? Of misschien was dit kwadrant gewoon het eerste teken van het failliet van die tweedeling. In een soort laatste stuiptrekking wordt het politieke landschap momenteel weer gewoon verdeeld in overzichtelijk links-rechts, maar dan met een extra sausje van polarisatie eroverheen: extreem-links versus extreem-rechts. En op social media gaat het alleen nog maar over woke versus fascistisch, over zuur-links versus dom-rechts.
“En op social media gaat het alleen nog maar over woke versus fascistisch, over zuur-links versus dom-rechts.”
De vragen die te midden van deze polarisatie bij mij gek genoeg naar boven komen, zijn: "Waarom heet links nou eigenlijk links en niet rechts, en vice versa? En waarom überhaupt links en rechts?". Om dat te achterhalen, moest ik even googelen. Het blijkt uit de tijd van de Franse Revolutie te komen. Toen de koning nog de absolute macht had, zaten de progressieve politici die hervormingen wilden links van de koning. De koningsgezinde, conservatieve politici zaten rechts van hem. Daarna is die terminologie blijven hangen en zelfs internationaal in gebruik geraakt. Maar het had net zo goed andersom kunnen zijn. We hebben de termen links-rechts dus eigenlijk te danken aan de binnenhuisarchitect van het Franse hof.
Hoe het ook zij: de woorden links en rechts zeggen in een politieke context weinig over datgene waar ze letterlijk voor staan, en ook niet meer over waar ze figuurlijk voor stonden. De termen conservatief en progressief hebben weliswaar een inhoudelijke betekenis, maar ook die termen dekken de lading in het huidige politieke landschap niet meer. Het woord progressief klinkt als "veranderen om het veranderen: als het maar niet blijft zoals nu". Het woord conservatief klinkt als "behouden wat er is, omdat het goed is zoals het nu is".
Beiden kloppen niet.
Aan de ene kant zie ik een groeiende groep mensen die conservatief genoemd wordt, maar die helemaal niet wil behouden wat er nu is — juist omdat ze diep ontevreden is met hoe het nu gaat. Die groep wil helemaal niet behouden, maar terug naar hoe het land in hun beleving ooit was. Gericht op een denkbeeldig verleden, uit onvrede met het heden.
“Die groep wil helemaal niet behouden, maar terug naar hoe het land in hun beleving ooit was. Gericht op een denkbeeldig verleden, uit onvrede met het heden.”
Aan de andere kant zie ik een groep mensen die zich zorgen maakt om wat er in hun beleving aan zit te komen: een hele bak ellende, waaronder bijvoorbeeld klimaatverandering. Je zou het doemdenken kunnen noemen, of alarmisme. Die groep probeert de wereld te behoeden voor rampspoed. Los van de vraag hoe groot ieder probleem precies is of welke oplossingen het beste zullen werken, hebben al deze vraagstukken één ding gemeen: ze vragen om keuzes die verder reiken dan de volgende verkiezingen.
Of het echt zo'n vaart zal lopen? De tijd zal het leren. Wat wel vaststaat, is dat de tijd maar één kant op gaat, en dat is: vooruit. We worden steeds vaker geconfronteerd met zaken die we niet voor ons uit kunnen blijven schuiven: onderhoud aan wegen en bruggen, drinkwatervoorziening, de capaciteit van het stroomnet, de kwaliteit van oppervlaktewater, personeelstekort in de zorg, de epidemie van overgewicht, de effecten van landbouwgif op bodem en insectenstand, stoppen met fossiel, en het woningtekort.
Het zijn allemaal voorbeelden die op zich heel verschillend zijn, maar één ding gemeen hebben: als je de trends een beetje in de gaten hebt gehouden, dan weet je dat dit stuk voor stuk onderwerpen zijn die door experts én politici al jaren geagendeerd worden, maar waarop niet afdoende wordt ingegrepen. Op al deze onderwerpen wordt met lapmiddelen gereageerd, in plaats van structurele, langetermijnplannen te maken.
Waarom korte termijn wint van lange termijn — ook buiten de politiek
Ik denk dat dit te verklaren is uit een aantal factoren. Al deze onderwerpen vragen op korte termijn investeringen om op lange termijn iets op te lossen. Voor politici is dat een slechte deal: je moet nu geld uitgeven om iets te bereiken in een tijd waarin je zelf misschien niet meer aan de macht bent. Oftewel: nu bezuinigen om je opvolger te helpen. Geen lekker verhaal. Daarnaast is de focus van veel beleid kortetermijngericht, mede door de vierjaarstermijnen van verkiezingen — als een kabinet het al vier jaar uithoudt.
Daarnaast speelt in mijn ogen nog steeds het effect van "ophefpolitiek". Rob Wijnberg schreef jaren geleden al een mooie column over goudvisjournalistiek: de waan van de dag in media en social media bepaalt veel vaker het politieke debat dan andersom. Relatief onbelangrijke maar mediagenieke onderwerpen krijgen voorrang boven saaie langetermijnonderwerpen.
Dit patroon herken ik overigens net zo goed in organisaties. Ook daar wint het kwartaalcijfer vaak van de investering die pas over drie jaar rendement oplevert. Onderhoud, opleiding, data-infrastructuur, procesvernieuwing — het zijn stuk voor stuk zaken die makkelijk vooruitgeschoven worden, tot het probleem te groot is om nog te negeren. De mechanismen zijn vergelijkbaar met die in de politiek: wie nu investeert, oogst vaak pas onder zijn opvolger, en de waan van de dag (de escalerende klant, het spoedproject, de reorganisatie) verdringt structureel denken over waar de organisatie over vijf of tien jaar wil staan. Toekomstbestendigheid is dan ook niet alleen een politiek vraagstuk, maar precies het soort vraagstuk waar organisaties en bedrijven een substantieel deel van hun tijd en budget aan zouden moeten besteden. Geen pleisters blijven plakken, maar de onderliggende koers scherp krijgen, ingegeven door een veranderende buitenwereld.
Tot slot de belangrijkste verklaring: we leven in een tijd waarin veel zaken eenvoudigweg niet meer houdbaar zijn. Sommigen noemen het De Tussentijd, het Interregnum, De Grote Wende, of The Twilight Twenties.
De toekomst komt eraan, of we dat nou willen of niet. De bijbehorende ontwikkelingen gaan door, of we dat nou leuk vinden of niet. De vraag is wat mij betreft dus niet of een partij, of een organisatie, links of rechts is. De vraag is: "Zijn we bezig om toekomstbestendig te worden?" En of we daar nou linksom of rechtsom komen, daar kunnen we over debatteren.
“De toekomst komt eraan, of we dat nou willen of niet.”
Maar laten we alsjeblieft ophouden om terug te verlangen naar het verleden. Dat is de kop in het zand, wegkijken en wensdenken — in de politiek, én in organisaties. Vraag jezelf, je team of de volgende politieke partij waarop je stemt, om een omschrijving van de toekomst. Hoe ziet de wereld er over 10 tot 20 jaar uit als we zo doorgaan, en hoe zou die er volgens jou uit moeten zien? En wat zijn de plannen voor de komende vier jaar om daar te komen?
Vanaf dat moment kunnen de termen links versus rechts in de prullenbak, en delen we in volgens een nieuw spectrum: nostalgisch versus toekomstgericht.
Toekomstgericht betekent niet dat we het verleden moeten afwijzen of mooie herinneringen moeten vergeten. Het betekent dat we ons in besluitvorming, beleid en strategie laten leiden door de wereld die komt, niet door de wereld die ooit was.
Martijn Nap is epidemioloog en gezondheidseconoom, opgeleid aan de Radboud Universiteit. Hij werkte ruim 25 jaar op het snijvlak van zorg, data, technologie, marketing, en strategie, zowel internationaal als in Nederland. Vier jaar lang was hij algemeen directeur van IQVIA Nederland, wereldwijd marktleider in healthcare data, analytics en AI. Daarvoor vervulde hij internationale leiderschapsrollen binnen de life sciences sector. Vanuit Third Force Advisory adviseert hij bestuurders en organisaties over de toekomst van gezondheid, zorgtransformatie en maatschappelijke strategie.